Geweld en Liefde


9 januari 2020


Geweld en Liefde

Na een lange dag reizen naar Serere, een fijn weerzien met onze vrienden daar, zitten Abel en ik met twee anderen op het stoepje voor mijn kamer. In het pikkedonker. De sterren geven licht. Even bijkomen van de dag, voordat we naar bed gaan.
Tot opeens een jongeman, ik noem hem Bart, aan komt lopen. Boos, gefrusteerd, geirriteerd. Hij loopt naar een jonge vrouw en begint te schreeuwen en haar te slaan. Niet te zuinig.
Ik heb geen idee wat er gezegd word, ik versta geen Ateso.
‘Moeten we niet wat doen?’ spreek ik uit, bang en ook strijdvaardig.
‘O nee, meng je hier niet in,’ zegt één.
Het slaat bij mij intern op hol. Op enkele meters van mij af wordt een vrouw in elkaar geslagen. Ondertussen zijn ze naar binnen gegaan. We horen hem schreeuwen.
Dan loopt hij het huis uit. De vrouw, ik noem haar Emma, blijft achter in het huis.
Eén van onze groep gaat kijken hoe het met de vrouw is.
Abel staat op en volgt Bart, tussen de huisjes door naar het centrum.
Even later komt hij met Bart terug. ‘Hier ga zitten.’
Het is een erg jonge jongeman. Het blijkt dat hij 21 is. Zijn vrouw 22.
Hij ruikt naar alcohol. Later hoor ik ook dat hij rookt. En dat roken kan iets extra’s bevatten.. (drugs).
Dit is een groot probleem in deze community.
We starten een gesprek. We zijn hier niet om hem te veroordelen maar om te luisteren naar zijn verhaal en waar mogelijk, hem te helpen. Het valt mij op dat hij welwillend is. Het is niet makkelijk. Dit is de eerste kennismaking met hem en dan in deze situatie. Het is heel moeilijk om bij hem door te dringen. Alles is de schuld van de ander en hij probeert iedere keer anderen verantwoordelijk te maken voor wat er gebeurde.
Op een gegeven moment pak ik de stoeltjes waar we op zitten.
‘Kijk,’ zeg ik ‘ik zie de situatie zo...’
Ik zet de stoeltjes in het midden: slaan, schreeuwen, weglopen. Dit is wat ik zie. Jij staat aan de ene kant... Ik zet een stoel tegenover hem aan de andere kant van de berg ‘ellende-stoeltjes’.
‘Waar wil je dat Emma is?’
Hij staat op, pakt Emmastoel, gaat terug naar zijn stoel en plaatst de stoel op zijn schoot.
Hij kijkt me aan...
Dit vergeet ik nooit meer.
Dit is was hij wil. Maar wat een berg ellende tussen hen.
We praten en praten. Het wordt hem duidelijk dat hij verkeerd gehandeld heeft. Hij slikt en slikt, kijkt weg.
Abel heeft Emma erbij gehaald.
We praten over handen: het is een keuze wat je met je handen doet. Wil je slaan of wil je liefdevol zijn?
Uiteindelijk zitten ze naast elkaar. Hij wil zijn excuus aanbieden. Maar dat is niet zo handig als je naast elkaar zit. Hij gaat tegenover haar zitten. Het kost hem moeite, maar hij spreekt uit dat hij verkeerd was.
Ik vraag of ze elkaars handen vast kunnen houden.
‘Nee,’ zegt Bart, ‘ik wil haar knuffelen.’
En dat doet hij ook, in het bijzijn van ons (dat is niet normaal in deze cultuur).
Ik bied ze aan om als we terugkomen nog eens samen te komen en te praten. ‘Denk er over na, woensdag vertrek ik. Laat het weten dan plan ik dat in.’
Ik bid voor ze en met een gerust hart laat ik ze naar huis gaan. Het is al laat die avond. Ik kan de slaap niet vatten. Wat een intensieve dag: Reizen, alle ontmoetingen, nieuwe verhalen en ervaringen waar mooie bij zitten en pijnlijke en verdrietige.

De volgende dag ziet Abel Emma. Ze lacht.
Woensdagmorgen, voordat we vertrekken, klop ik aan. Ik heb een papier voor ze gemaakt met de afdruk van twee handen. ‘Liefdevolle handen’ staat er in het Ateso bijgeschreven. Een herinnering voor hem.
Daaronder twee harten, ieder hart heeft een naam. Ik geef ze een pen. Of ze de komende dagen iets positiefs over elkaar in de harten willen schrijven.
Ik zie dat Bart zich wat ongemakkelijk voelt. Mijn indruk is dat het een gevoelige, verlegen jongen is en dat hij zich schaamt.
Het is goed mogelijk dat het een eerste contact met een muzungu (blanke) is. Niet zo fijne eerste ontmoeting.
Ik geef ze beiden een knuffel ter afscheid.
Als we wegrijden maak ik met een handgebaar een boodschap duidelijk. Hij begrijpt het en glimlacht.
Ik hoop zo dat ze het redden samen tot begin maart. Want dan ga ik ze weer opzoeken.
Tranen voel ik als we wegrijden... Wat zegt dat mij?
Dat ik een fijne plek verlaat, verbonden voel met de mensen hier, dat het leven hier zo hard en moeilijk is. Zoveel onwetendheid en machteloosheid.
God, wat heeft U in gedachten voor dit gebied? Wat is mijn rol hierin?